Verre Objecten
Ringnevel (M57)

Een gloeiende ring van gas, achtergelaten door een ster die stierf zoals onze zon ooit zal sterven. De Ringnevel in het sterrenbeeld Lier werd in januari 1779 vrijwel gelijktijdig ontdekt door de Franse amateurastronoom Antoine Darquier de Pellepoix en door Charles Messier, die haar als 57e object in zijn beroemde catalogus opnam. Sindsdien is M57 een van de meest gefotografeerde planetaire nevels aan de hemel — compact, helder en op een boogscheut van de heldere ster Vega te vinden.
Wat zie je hier?
Ondanks de naam is de Ringnevel geen platte ring, maar eerder een vervormd, tonvormig gasomhulsel — Hubble-onderzoekers omschreven het beeld als "kijken in de loop van een vat gas". Wat wij als ring zien is die tonvorm die we vrijwel recht van voren bekijken: de dichtere, felgekleurde rand lijkt een cirkel, terwijl de dunnere gaswolken aan de voor- en achterkant er als een vaag waas doorheen schemeren. In het centrum staat de bron van dit alles: een witte dwerg, het uitgebluste restant van een ster die ooit qua massa leek op onze zon.
Zo'n 1.600 jaar geleden — een oogwenk in sterrentijd — begon deze ster haar buitenste lagen af te werpen omdat ze door haar kernbrandstof heen raakte. De hete, compacte kern die overbleef verwarmt het weggeblazen gas met ultraviolette straling tot het gaat gloeien: waterstof en stikstof geven het rood-oranje aan de buitenkant, zuurstof het blauwgroen dichter bij het centrum.
De oneindigheid in perspectief
- Het licht dat je nu ziet, vertrok 2.570 jaar geleden — rond de tijd dat in Athene de eerste democratie werd gevormd.
- De nevel dijt nog altijd uit, met zo'n 20 tot 30 kilometer per seconde. Over pakweg 10.000 jaar zal het gas te ijl zijn geworden om nog te gloeien, en verdwijnt de ring in de duisternis tussen de sterren.
- De witte dwerg in het midden is nu al zo heet als 100.000 graden Celsius, maar zal miljarden jaren lang langzaam afkoelen — een gedoofde ster die letterlijk tot in de eeuwigheid nasmeult.