Technologie

Kwantumtheorie uitgelegd

De D-Wave Two quantum-computer, geïnstalleerd bij de NASA Advanced Supercomputing Division
D-Wave Two quantum-computer geïnstalleerd bij NASA's Advanced Supercomputing Division — Een praktische toepassing van kwantummechanica: de D-Wave Two kwantumcomputer, geïnstalleerd bij NASA's Advanced Supercomputing Division voor onderzoek naar kwantumberekeningen.Beeld: Nick Bonifas / NASA (publiek domein, via Wikimedia Commons)

Een natuurkunde waarin deeltjes zich als golven gedragen, waarnemen de uitkomst beïnvloedt, en "hier én daar tegelijk" een letterlijke, meetbare werkelijkheid is. De kwantumtheorie beschrijft hoe de wereld zich gedraagt op de kleinst denkbare schaal — die van atomen, elektronen en fotonen — en volgt daarbij regels die volledig indruisen tegen onze dagelijkse intuïtie, maar tot nu toe elke experimentele test heeft doorstaan.

Hoe begon het? Energie in pakketjes

Rond 1900 ontdekte de natuurkundige Max Planck dat hete voorwerpen energie niet in elke willekeurige hoeveelheid uitstralen, maar in vaste, discrete "pakketjes" — quanta. Einstein bouwde daarop voort met zijn verklaring van het foto-elektrisch effect (waarvoor hij, niet voor de relativiteitstheorie, zijn Nobelprijs kreeg): licht bestaat uit individuele energiepakketjes, fotonen genoemd, en gedraagt zich daarmee zowel als golf als als deeltje — afhankelijk van hoe je meet.

Deze golf-deeltje-dualiteit is het beroemdst zichtbaar in het dubbelspletenexperiment: schiet je individuele elektronen of fotonen door twee spleten, dan ontstaat op een scherm erachter een interferentiepatroon zoals je van golven zou verwachten — zelfs als de deeltjes één voor één worden afgevuurd. Probeer je te meten door welke spleet elk deeltje gaat, dan verdwijnt het golfpatroon en gedragen de deeltjes zich plotseling als kleine kogeltjes. De waarneming zelf lijkt de werkelijkheid te beïnvloeden.

Onzekerheid, superpositie en de golffunctie

In 1927 formuleerde Werner Heisenberg zijn onzekerheidsprincipe: hoe nauwkeuriger je de positie van een deeltje kent, hoe onnauwkeuriger je tegelijkertijd zijn snelheid kunt kennen, en omgekeerd — niet omdat onze meetinstrumenten tekortschieten, maar omdat de natuur zelf op dit niveau fundamenteel onzeker is. Erwin Schrödinger beschreef kwantumdeeltjes met een golffunctie: een wiskundige beschrijving die niet één uitkomst voorspelt, maar de kansverdeling van alle mogelijke uitkomsten tegelijk.

Zolang je niet meet, kan een kwantumsysteem zich in superpositie bevinden — een combinatie van meerdere toestanden tegelijk, zoals in Schrödingers beroemde gedachte-experiment met een kat die (puur hypothetisch, als illustratie) tegelijk levend én dood zou zijn totdat je de doos opent. Pas het meten zelf "dwingt" het systeem tot één concrete uitkomst — een van de meest omstreden en filosofisch beladen aspecten van de hele theorie.

Kwantumtunneling: hoe sterren eigenlijk schijnen

Een van de vreemdste en tegelijk nuttigste gevolgen van kwantummechanica is tunneling: deeltjes kunnen een energiebarrière "doorkruisen" die ze volgens de klassieke natuurkunde nooit zouden moeten kunnen passeren, simpelweg omdat hun golffunctie een kleine kans geeft dat ze aan de andere kant opduiken. Dit is niet alleen theorie: kernfusie in de kern van de zon (zie ook onze uitleg van E=mc²) zou bij de daar heersende temperatuur en druk eigenlijk te traag verlopen zonder kwantumtunneling — zonder dit effect zou de zon veel zwakker schijnen dan hij doet.

Kwantumtheorie is inmiddels niet langer alleen abstracte natuurkunde: ze ligt aan de basis van halfgeleiders en dus elke computerchip, van lasers, van medische scanners, en — steeds vaker — van technologie die direct relevant is voor de ruimtevaart, zoals kwantumsensoren voor navigatie en kwantumcomputers voor complexe berekeningen.