Telescopen
Hubble-ruimtetelescoop

Een telescoop die begon met een ingebouwde fout, en uitgroeide tot een van de belangrijkste wetenschappelijke instrumenten ooit gebouwd. Hubble werd in april 1990 gelanceerd met het spaceshuttle en bleek al snel een subtiele fout in zijn hoofdspiegel te hebben, die de eerste beelden onscherp maakte — totdat astronauten in 1993 tijdens een dramatische ruimtewandeling corrigerende optiek plaatsten, waarna Hubble uitgroeide tot een van de productiefste telescopen ooit.
Waarom is een ruimtetelescoop zo waardevol?
Vanaf zijn baan op zo'n 540 kilometer hoogte kijkt Hubble boven de atmosfeer van de aarde, die licht laat trillen en vervagen (het is dezelfde reden dat sterren vanaf de grond lijken te "twinkelen"). Daardoor kan Hubble scherpere beelden maken dan de meeste grondtelescopen uit die tijd, ondanks een spiegel die met 2,4 meter juist kleiner is dan de grootste grondgebonden instrumenten.
Hubble legde de basis voor ons huidige beeld van het heelal: het hielp de uitdijingssnelheid van het heelal nauwkeuriger te meten, bracht duizenden sterrenstelsels in beeld via de beroemde "Deep Field"-opnamen, en bevestigde het bestaan van superzware zwarte gaten in de centra van vrijwel alle grote sterrenstelsels.
In perspectief
- Tussen 1993 en 2009 bezochten astronauten Hubble vijf keer voor onderhoud en upgrades — een telescoop die, in tegenstelling tot de meeste ruimtemissies, letterlijk met de hand is gerepareerd en verbeterd.
- Meer dan 35 jaar na lancering observeert Hubble nog altijd, en werkt het vaak samen met zijn jongere opvolger James Webb, die andere golflengtes waarneemt.
- De "Hubble Deep Field"-foto, gemaakt door tien dagen naar een ogenschijnlijk leeg stukje hemel te staren, onthulde duizenden sterrenstelsels in een gebied kleiner dan een zandkorrel op armlengte.